BEHANDELMETHODEN

Er zijn meerdere behandelmethoden voor het plaatsen van implantaten, welke alle door de implantoloog beheerst worden. Het zal steeds een afweging zijn om voor de meest gunstige methode te kiezen. Daarbij speelt de esthetiek een grote rol in het zichtbare gebied. Daarentegen speelt de functionaliteit een grote rol meer achterin gelegen en is de reinigbaarheid daar van groot belang voor een goed lange termijnresultaat. Verder spelen biomechanische principes een rol, bijvoorbeeld bij mensen die veel kracht gebruiken.

Eén fase implanteren

Bij voldoende botvolume  kan het implantaat in één fase geplaatst worden. De behandeling is dan relatief eenvoudig en is minder kostbaar dan wanneer er te weinig bot beschikbaar is. Na het plaatsen van het implantaat voelt u een dopje uit het tandvlees steken.  De genezing is binnen 6 – 8 weken voldoende om met de vervolgbehandeling verder te kunnen.

Twee fase implanteren met botopbouw

Bij onvoldoende kaakbot is het opbouwen ervan noodzakelijk om te kunnen implanteren. In uitzonderlijke gevallen wordt dan een stukje eigen bot gebruikt, maar in de overgrote meerderheid is dat niet nodig. Dan kan er botopbouw gerealiseerd worden met kunstbot (steriel uit een potje) en een membraan, dat het tandvlees en mondbacteriën op afstand houdt. Uw eigen bot gaat dan tussen de kunstbotkorreltjes onder het membraan groeien. Na ca. drie maanden kunnen de implantaten in een tweede fase worden vrijgelegd met een minimaal invasieve ingreep, met slechts weinig lokale verdoving. Een maand later kan er worden afgedrukt, zodat het tandtechnisch lab de zogenaamde suprastructuur kan vervaardigen.

Minimaal invasief implanteren

Minimaal invasieve behandelingen verdienen de voorkeur, wanneer het eindresultaat beter is, want het zorgt voor beduidend minder ongemak. Dat kan soms door een dun randje kaakbot te corrigeren, zodat botopbouw vermeden kan worden. Soms kan in dezelfde zitting zowel de tand verwijderd worden, als geïmplanteerd worden. Als het implantaat voldoende stevig vast zit kan er zelfs direct een noodvoorziening op verschroefd worden, zodat een tijdelijke losse uitneembare voorziening vermeden kan worden. En een ander voordeel hiervan is een superieur esthetisch resultaat door behoud van bot en tandvlees. Het betreft hier een geavanceerde techniek welke de implantoloog u graag nader uitlegt.

Bijholte lifting (Sinus Bodem Elevatie)

Soms wordt op de panoramische röntgenfoto zichtbaar dat de afstand van mondholte tot bijholtebodem te gering is voor korte implantaten. In zulke gevallen kan de bijholtebodem gelift worden om meer botvolume te laten aangroeien. Dat kan soms van binnenuit na preparatie van de schacht voor het implantaat. Zo kan een sinuslifting middels het aanbrengen van een luikje vermeden worden. Deze laatste methode is weliswaar voorspelbaar, maar geeft namelijk nogal veel zwelling.

Botaangroei door bijholtelifting ten behoeve van implantaten

Minimaal invasieve sinusbodem elevatie (bijholte lifting)

De sinus bevindt zich naast de neus, boven de pre- en molaren links en rechts in de bovenkaak en neemt  vaak meer ruimte in dan ons lief is. Zeker  als we er een implantaat willen plaatsen. Na extractie van een kies blijft er door een proces dat we pneumatisatie (overdruk) noemen  vaak te weinig bot in hoogte over, om zonder meer een  implantaat van voldoende lengte te kunnen plaatsen.  Dat maakt het implanteren op die plek complexer met meer kans op post-operatieve complicaties. Er kan dan worden gekozen  voor kortere implantaten, maar als het kaakbot matig is en er biomechanisch behoefte is  aan meer verankering kan er beter worden gekozen voor botgroei in verticale richting.  Bot laten aangroeien boven de bestaande bijholtebodem kan worden bereikt door het slijmvlies (de Schneiderse membraan)  dat de bijholtebodem bedekt , te liften.

Conventionele laterale techniek (via een luikje)

Uit de literatuur is bekend dat het conventioneel liften van de bijholten een hoog voorspelbaar resultaat kan opleveren, wanneer dit door ervaren behandelaars wordt uitgevoerd. Daarbij wordt voorzichtig een opening in de botwand gemaakt aan de buitenzijde van de bovenkaak, totdat het slijmvlies dat de bijholte bekleedt wordt bereikt. Dit slijmvlies is flexibel en veert mee, zodat wanneer we goed botcontact houden, het kan worden losgemaakt van de bijholtebodem. De holte die zo ontstaat kan worden gevuld met een botvuller en op die wijze kunnen langere implantaten worden geplaatst. Het afschuiven van het slijmvlies gaat soms heel vlot en andere keren neemt het meer tijd in beslag, doordat de bijholtebodem hobbelig en ruw kan zijn, waardoor het slijmvlies lastig los komt. De kans op scheuren van het slijmvliesmembraan neemt daardoor toe en soms moet de behandeling zelfs worden afgeblazen. Voor de patiënt is er het nadeel dat de laterale benadering om meer ruimte vraagt, waarbij het botvlies met de opklap vrij ver moet worden afgeschoven. Dit kan veel  post-operatieve klachten  geven, zoals zwelling en/of verkleuring van het gezicht.  Dat is veelal na 3 tot 5 dagen op een hoogtepunt en neemt dan in de loop van 14 dagen af. Dat kan wel een belemmering zijn in het sociale verkeer. 

Nieuwe orthograde techniek (opboren)

Er zijn inmiddels enkele systemen die de conventionele techniek in veel gevallen kunnen vervangen. Een ervan is de Crestal Sinus Lift set van de firma Meissinger uit Duitsland, welk  ik sinds 2014 veelvuldig hanteer.  De set bestaat uit frezen met een centraal concaaf deel, waardoor ter plaatse het slijpsel zich ophoopt en het slijmvlies dat het tegenkomt opduwt. Door de af te wisselen afstandshulzen boort men telkens niet meer dan een millimeter op, waarmee doorschieten wordt voorkomen.  Tussentijds wordt met een brede knopsonde  gecontroleerd  of het slijmvlies bereikt is. Dat is het geval als de bodem zacht en verend aanvoelt.

Lees hier het artikel geschreven in Dentista door Peet van Gils over deze nieuwe orthograde techniek.